maandag 30 januari 2017

Völundarkvida/ Wieland de smid verhaal + uitleg/ voorwoord

Ga met mij mee op reis.
Ga met mij mee de diepte in, voorbij de angst.
Ga mee met mij de verbinding aan met het diepste stuk, de oudste herinnering.
Alleen de mythe kan ons daar brengen de oudste herinnering van het goddelijke.
Het is een keuze, je keuze is vrij.
De Germaanse mythe heeft mij uitgekozen om door mij te worden begrepen, gedragen en vertaald te worden.
Het is op Germaanse grond waarop we staan.
Al noemden onze verste voorouders zich niet zo en zeker waren het geen nazi's nog racisten.
Maar we zijn op deze grond geboren. Hier gevoed met normen en waarden die ouder zijn dan honderd jaar.
Hieronder komt  mijn bewerking van het verhaal uit de Edda, de Völundarkvida, het verhaal van Völundr, Wieland de smid.
Hier is een link naar een andere uitvoering en verklaring van het verhaal: ( 8min 56, begint het) https://www.youtube.com/watch?v=CnXMlTy_9y4&t=1189s
Maria Kvilhaug ( ladyofthelabyrint) heeft zich zeer verdiept in de vertalingen van namen en hun betekenissen uit het Oud Noors. Hierdoor krijgen de verhalen een nog diepere en meer heldere betekenis.
Onze verre voorouders waren verre van dom of onontwikkeld. Hun cultuur is, de diepgang er van is enorm onderschat. Diep op de zeebodem liggen oesters. Wanneer we deze openen vinden we soms de meest kostbare parels. We moeten diep duiken. Soms lang onze adem in kunnen houden. Vaak vinden we lege schelpen. Maar als we lang genoeg zoeken. Ja, wie zoekt zal vinden...
( ik ben christelijk opgevoed. Het is grappig hoe de gereformeerden de Bijbel naar het woord vertalen/ uitleggen. Hoe zeer zijn ze daarmee trouw aan het gedachtegoed van onze Germaanse wortels, mannen van hun woord, mannen van het woord. De dichtkunst is hier altijd zeer gewaardeerd geweest.)
Dit verhaal van Wieland de smid lijkt te gaan over wraak.
Maar het is veel dieper dan dat.
Wij zijn Wieland. Ooit waren wij een drieéenheid ( voor de duidelijkheid: drieéenheid is super Keltisch en Germaans!)
Zo zien we in vele Germaanse mythes, drie goden die op pad gaan. Hier zijn het Wieland en zijn twee broers. ( zie de link naar YT voor de betekenissen van de namen van Wieland en zijn broers)
De windstreken waar zij vandaan kwamen en heen gaan ( De broers maar ook hun vrouwen, de Walkuren) hebben een diepere betekenis dan Maria Kvilhaug behandelt.
De Windstreken zijn 'heilige' portalen. Alle oude volken brengen offers, zingen, dansen en bidden naar de vier windstreken + de boven en beneden richting.
Vraag maar eens aan de kracht van het oosten je te zegenen. Ga staan naar het oosten en hou je handen in die richting en stel je open, het best in de ochtend of met zonsopgang, naar het westen met zonsondergang, bijvoorbeeld)
De windstreken hebben een diepere betekenis. Zoals alles in de mythen. Onze Germaanse voorouders waren meesters in de dichtkunst en vooral in symbolieken. Ze hielden er van om symbool op symbool op symbool te stapelen waardoor er een soort raadsels ontstonden, alleen te begrijpen door de kenner , de ingewijde in de verhalen.
Wieland, dat zijn wij. We vinden hier op aarde, de midgaard, het Wolfsdal, het grootste hemelse geluk. Maar daarna blijven we alleen achter. ( vergelijkbaar met de zondeval, Paradijs Adam en Eva)
Zijn we niet afgesneden van onze bron, het goddelijke, onze oneindige goddelijke kennis, liefde en wijsheid?
Wieland is alleen ( verlaten door de Walkuren en zijn broers... goddelijke delen van hemzelf)
Als smid bewerkt hij het goud.
Goud heeft voordat de hebzucht bezit nam van de mens altijd een goddelijke betekenis gehad. Kijk naar de Egyptenaren, Inca's, Maya's en of Tibetanen. Goud staat voor goddelijkheid.
Maar hij valt ten prooi aan het duister dat van beneden komt. Alles wordt hem ontnomen zelfs zijn vermogen te lopen. Dan werkt hij aan zijn wraak of bevrijding.
Hij laat de verblinde koning van de benedenwereld drinken uit de schedels van zijn zoons. Twee zoons, dualiteit. Zijn verblinde vrouw krijgt hun ogen, om de dualiteit onder ogen te zien. De koningsdochter hun tanden. Om te bijten , ergens in te zetten.
De ringen die Wieland maakt staan voor de heelheid en de verbinding, waar hij steeds aan werkt.
De dochter draagt zo'n ring. Maar gaat kapot.
In een dieper duister kunnen we haast niet afdalen. Maar dat is nou precies wat we doen hier op Aarde. We zijn afgedaald in de lagere dimensies, juist om daar het licht te hervinden.
Wat blijft er in het diepste duister over? Is niet het vrouwelijke, het vruchtbare, het levensdragende, de verbinding met het leven, het licht?
Wieland bevrucht de dochter van het lagere... Hier zien we een zaadje hoop, licht en liefde voor de toekomst en ja ... een Matriarchale toekomst.
In de versie zoals ik het verhaal nu geschreven heb is de bewustwording, het wakker worden van de koning van de benedenwereld nog niet helder, duidelijk genoeg. Maria Kvilhaug refereert hier naar.
Ik heb de reis gemaakt van dit verhaal, ben afgedaald in mijzelf en heb het beleefd. En zo wordt een verhaal een levende dimensie, een wereld die je met je mee kan dragen.
Dit kan natuurlijk met een verhaal naar keuze. De Germaanse traditie heeft mij gekozen, mogelijk om een oeroude verbinding te herstellen.

Wanneer je de vertelling live wilt bijwonen, dat kan op maandagavond 6 februari in Driebergen. Indien geïnteresseerd stuur me een mailtje dan stuur ik de details van waar het plaatsvind. Het zal een avond zijn over mythische smeden. Ook zal ik vertellen "Freya's verleiding' met Theresia's harpbegeleiding. En er zal ook verteld worden over en uit de Kalevala ( iemand anders)
Hier mijn versie van Wieland de smid
( ik deel hier een kostbaar pareltje uit mijn ziel)


Völundarkvida

Uit het oosten, het reuzenland zijn wij gekomen, prinsen van het woeste woud. 
Mijn oudste broer heet Egil, zuiver van hart en open van geest. Mijn andere broer heet Slagvleugel. Hij is een meester in de jacht.
Mijn naam is Völundr, beter bekend als Wieland de smid. Magische zwaarden heb ik gesmeed en krachtige talismannen. Mijn kracht komt van de voorouders, de Elfen. Ik heers over de wind van de dood. Mijn thuis is het gewijde woud dat ik altijd in mijn hart draag.
Hier in het westen zijn we aangekomen, hier in het Wolfsdal vonden wij wild en een plek om te wonen. Aan de rand van een meer bouwden we een huis. Hier in de Midgaard, hier op aarde, hier is ons thuis.
Op een dag kwamen we thuis van de jacht. We hoorden een zingen, onaards mooi, intens. Het waren drie goddelijke vrouwen, walkuren, doodsengelen van Odin, Alvader.
Ze hadden zich gebaad en gezwommen in het meer, hun zwanenvleugels, verenkleden lagen te drogen in het gras, in de zon.
Gelijk de nornen zaten ze te spinnen vlas.
Betoverd keken mijn broers en ik naar het spinnen van de levensdraden. Ons lot nam een wending op dat moment. We verborgen de zwanenvleugels, de verenkleden. En zeven jaren waren zij onze vrouwen. Zeven jaren waren wij intens gelukkig. Zeven jaren klaagden zij niet. Het achtste jaar begonnen zij te treuren, terug verlangend naar het slagveld. Een dure eed hebben de Walkuren gezworen aan het begin der tijden aan Alvader Odin. Het waren de doodskreten die hen riepen, krijgers stervend op het slagveld. Doodsengelen vol genade, hoe konden zij die roep weerstaan?
Alwijs, de jongste en meest wijze van de drie, zij weende bittere tranen. Zij was het die ik getrouwd had, al was het maar voor zeven jaar. Haar tranen waren kostbaar, edelstenen van de zuiverste soort.
Het negende jaar kwamen we terug van de jacht. Ons huis was koud, de zwanenvleugels, verenkleden verdwenen, de Walkuren waren weg gevlogen.
Egil trok naar het oosten, naar het land van keuze, waar zijn bruid vandaan gekomen was. Slagvleugel trok naar het zuiden naar de werelden van Nornen en goddelijkheid, waar zijn bruid en ook de mijne vandaan kwam.
Maar ik bleef thuis, hier in het Wolfdal, hier in de midgaard, hier op aarde, hier is mijn thuis. Ik wachtte op de terugkeer van Alwijs, zij die het lot kent als geen ander.
De midgaard is de plaats waar een smid werken moet. Hier is het meest kostbare goud dat ik bewerken zal. Het goud dat ons verheft, het zielengoud van weten en van wijsheid.
De kostbare edelstenen, tranen die Alwijs geweend had vervatte ik in het rode goud. Het waren kostbare ringen die ik smeedde, iedere dag één. Iedere ring is een eerbetoon aan mijn geliefde. Iedere ring is een symbool van mijn verlangen, mijn liefde en mijn trouw. Ik verblijf in het Wolfsdal, hier in de Midgaard, hier op aarde, hier ben ik thuis. Ik verblijf hier als hoeder van het gewijde woud.
Nidud, koning van de benedenwereld kreeg lucht van het feit dat de machtige elfensmid alleen was in het heilig woud. Hij stuurde zijn mannen westwaarts. Zij drongen het huis, mijn smidse binnen. Zevenhonderd ringen versierde het huis. Ze hingen aan koorden van gras, vlas en boombast. Zevenhonderd ringen telden zij. Ze hingen ze terug waar zij ze gevonden hadden. Eén, de allermooiste hielden ze achter.
Vermoeid van de jacht en verweerd van de kou kwam ik thuis. Een berin was mijn jachtbuit. Hoog stookte ik het vuur en braadde het vlees. Neer zat ik op de berenhuid, at van het berenvlees en telde de ringen. Het was er één te weinig. ‘Was zij gekomen!? Was Alwijs terug gekeerd?! Zou ik mijn geliefde weer in mijn armen sluiten?!’ Opgewonden en vol vreugde wachtte ik haar komst af. Tot diep in de nacht bleef ik wakker. Tot uiteindelijk mijn ogen zwaar van vermoeidheid dichtvielen.
“Geboeid, geketend werd ik wakker aan de voeten van een onrechtmatig laag geboren koning!”. Hij keek op mij neer en zei: “Ik ben koning Nidud, koning van hen die in de benedenwereld leven. Vertel op machtige elfenvader: “Waar heb je het gestolen goud verstopt. Hoe kan het dat wij geen goud vonden in het gewijde woud?!”
Ik kneep mijn ogen toe, liet mijn hart spreken: “Het goud is altijd vrij kan nooit gestolen worden. Het goud is overal voor hen die wakker zijn. Onze harten waren gevuld met het meest kostbare goud toen we nog samenwoonden in het Wolfsdal, het heilige woud, de drie Walkuren, mijn broers en ik. Goud groeide er op onze akkers, een gouden zon scheen op ons neer, gouddraad werd het vlas dat de walkuren sponnen. Goud waren de golven op het meer. Goud lag er op onze tong wanneer we ’s morgens wakker werden.” Toen keek ik hem aan en zei: “Blind ben je koning als je ogen voor schoonheid gesloten zijn. Goud is een leeg metaal en heeft geen hogere waarde in de ogen van hebzucht. Op het pad van het gesloten hart vindt men geen heilig goud!”. De vrouw van de koning en tevens raadgeefster had buiten staan luisteren en was nu het huis binnen gestapt. Het was een vrouw met een koude scherp geslepen geest, arrogant en vol arglist, een gekwetste vrouw misschien. Maar dan op de verkeerde manier de kwetsuren te boven was gekomen. Een felle feeks was zij. ‘Wees stil!’, klonk haar emotioneel gepijnigde stem. Ze sprak tot de koning, haar man: “ Luister niet naar hem. Laat je geest niet vergiftigen door zijn duistere toverpraat. Kijk naar zijn ogen, hoe fel ze rollen, hoe zijn mond vertrekt iedere keer als hij zijn zwaard aan je zijde ziet blinken. Zijn ogen zijn gevuld met haat als hij naar zijn ring kijkt, die je aan je dochter geschonken hebt. Snijdt de pezen van zijn knieën door zodat hij enkel nog kan kruipen. Zet hem gevangen op het eiland vlak voor de kust, waar hij kan werken aan ’t goud en alles dat onze ogen bekoord.”
Haar woorden sneden in mijn ziel en niet lang daarna de zwaarden door de pezen van mijn knieën. Ze lieten me achter op het eiland waar ik waakte iedere nacht. Ik werkte voor de koning, sieraden voor zijn hof. Ik werkte door dag en nacht. Ik smeedde mijn plannen, mijn wraak en mijn vlucht. Mijn hamer en aambeeld klonken als een monotoon drumritme, onophoudelijk, een diepe trance maakte zich van mij meester. Alsmaar bewerkte ik het rode goud, het wondermetaal. Alsmaar werkte ik aan mijn vlucht, steeds hoger steeg ik in mijn verbeelding, hoger nog boven de wolken. Ik mijn gedachten droomde, zweefde, vloog ik weg.
Mijn wraak zal bitterzoet zijn.
De zonen van de koning kwamen naar mijn smidse op het eiland: “Wij koningszonen eisen het rode goud te zien!”
‘Kom vanavond terug’ zei ik hen, ‘Ik zal het jullie tonen. Vertel het aan niemand. Het is in het diepst geheim dat ik het jullie toon!”
Dezelfde avond keerden zij weer en ik had mij goed voorbereid. Ik toonde hen een kist om te openen, gretig schoten zij toe en ‘tsjak!’ in een flits scheidde ik hun hoofden van hun rompen.
Diezelfde avond kwam Bodwild, de oorlogzuchtige dochter van de koning langs en toonde mij de ring, de allermooiste die ik voor mijn geliefde gesmeed had. De tranen van de doodsengel waren los gekomen van het goud. Ze vroeg mij: “ Je kunst is betoverend. Ik ben zeer gehecht aan de ring die mijn vader mij heeft geschonken. Kan jij hem herstellen voor mij?!”
Ik zei haar : “Zeker! ik zal hem herstellen, daarna zal hij mooier zijn, meer stralend, meer waardig!’
Ik schonk haar mede en bedreef met haar de liefde die nacht. Zij kon zich niet tegen mij verzetten. Ik had haar in mijn macht. Weerstand bood zij niet. Een ketting legde ik rond haar hals. Zwanger en in tranen verliet zij de volgende ochtend het eiland.
Mijn wraak was compleet. De vleugels, mijn vlucht waar ik jaren aan gewerkt had, bond ik om en verhief mij in de lucht. Mijn knieën kunnen mijn benen niet langer dragen. Maar mijn armen zijn vleugels. Weg vloog ik steeds hoger. Terug naar mijn thuis, het heilige gewijde woud.
Koning Nidud kon de slaap niet vatten. Wekenlang deed hij geen oog dicht. Het waren zijn zoons die hij mistte.
Zijn arglistige vrouw benaderde hem: “ Ben je wakker, mijn koning, kan ik u bijstand bieden?”
Nidud antwoordde: “ Mijn hoofd is koud, mijn hart, jou woorden zijn kil. Jou raad laat me koud! Ik zal naar het gewijde woud gaan op het eiland is hij niet. Ik zal Wieland’s raad aanvaarden.   Hij moet weten waar mijn zoons gebleven zijn’.
Niet lang daarna trof de koning de verheven elfensmid: “ Vertel mij edele smid: Waar zijn mijn zoons gebleven?!”
“Eerst moet u mij zweren op alles dat u heilig is dat u mijn vrouwe geen kwaad zal doen. Ook niet wanneer u haar kent van heel dichtbij en zij een dochter in uw zaal zal baren. Ga dan naar het eiland, het aambeeld dat u voor mij smeedde. Het aambeeld met bloed bespat vertelt waar uw zoons zijn verdwenen. Dronken de bekers met zilver beslagen niet bitter en zoet. De bekers die ik u laatst gezonden heb. Het zijn de schedels van uw zoons. Laat het u smaken. Uw vrouwe draagt een borstspeld waarin hun ogen zijn vervat, uw dochter een ketting rond haar hals bevat hun tanden in ’t rode goud gevat. In haar buik draagt zij mijn kind, het levende goud van de toekomst!” En ik steeg op met vleugelslagen
En Nidud zei: “ Nooit eerder troffen woorden mij zo diep. Je hebt mij verslagen, jij machtige elf. Niets kan jou treffen, geen pijl, speer nog blaam. Voor eeuwig ben jij verheven!”
Met de wind des doods vloog ik zuidwaarts, uilenveren zijn mijn vleugels. Voor eeuwig ben ik één met de elfen.
Mijn dochter’s oren zullen luisteren naar de wind en fluisteringen der elfen.

Mitakuye oyasin ( voor al mijn verwanten, alles is een , Lakota-taal)
Nin-Sa-Gee-Away-Win ( we are family and love eachother, Ojibaway)
In Lakech ( Maya groet, betekent : ik begroet een andere ik)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten