Ga met mij mee op reis.
Ga met mij mee de diepte in, voorbij de angst.
Het is een keuze, je keuze is vrij.
De Germaanse mythe heeft mij uitgekozen om door mij te worden begrepen, gedragen en vertaald te worden.
In
de versie zoals ik het verhaal nu geschreven heb is de bewustwording,
het wakker worden van de koning van de benedenwereld nog niet helder,
duidelijk genoeg. Maria Kvilhaug refereert hier naar.
Ik
heb de reis gemaakt van dit verhaal, ben afgedaald in mijzelf en heb
het beleefd. En zo wordt een verhaal een levende dimensie, een wereld
die je met je mee kan dragen.
Dit kan natuurlijk met een
verhaal naar keuze. De Germaanse traditie heeft mij gekozen, mogelijk om
een oeroude verbinding te herstellen.
Wanneer
je de vertelling live wilt bijwonen, dat kan op maandagavond 6 februari
in Driebergen. Indien geïnteresseerd stuur me een mailtje dan stuur ik
de details van waar het plaatsvind. Het zal een avond zijn over
mythische smeden. Ook zal ik vertellen "Freya's verleiding' met
Theresia's harpbegeleiding. En er zal ook verteld worden over en uit de
Kalevala ( iemand anders)
Hier mijn versie van Wieland de smid
( ik deel hier een kostbaar pareltje uit mijn ziel)
Völundarkvida
Uit het oosten, het reuzenland zijn wij gekomen, prinsen van het woeste woud. Mijn oudste broer heet Egil, zuiver van hart en open van geest. Mijn andere broer heet Slagvleugel. Hij is een meester in de jacht.
Mijn naam is Völundr, beter bekend als Wieland de smid. Magische zwaarden heb ik gesmeed en krachtige talismannen. Mijn kracht komt van de voorouders, de Elfen. Ik heers over de wind van de dood. Mijn thuis is het gewijde woud dat ik altijd in mijn hart draag.
Hier in het westen zijn we aangekomen, hier in het Wolfsdal vonden wij wild en een plek om te wonen. Aan de rand van een meer bouwden we een huis. Hier in de Midgaard, hier op aarde, hier is ons thuis.
Op een dag kwamen we thuis van de jacht. We hoorden een zingen, onaards mooi, intens. Het waren drie goddelijke vrouwen, walkuren, doodsengelen van Odin, Alvader.
Ze hadden zich gebaad en gezwommen in het meer, hun zwanenvleugels, verenkleden lagen te drogen in het gras, in de zon.
Gelijk de nornen zaten ze te spinnen vlas.
Betoverd keken mijn broers en ik naar het spinnen van de levensdraden. Ons lot nam een wending op dat moment. We verborgen de zwanenvleugels, de verenkleden. En zeven jaren waren zij onze vrouwen. Zeven jaren waren wij intens gelukkig. Zeven jaren klaagden zij niet. Het achtste jaar begonnen zij te treuren, terug verlangend naar het slagveld. Een dure eed hebben de Walkuren gezworen aan het begin der tijden aan Alvader Odin. Het waren de doodskreten die hen riepen, krijgers stervend op het slagveld. Doodsengelen vol genade, hoe konden zij die roep weerstaan?
Alwijs, de jongste en meest wijze van de drie, zij weende bittere tranen. Zij was het die ik getrouwd had, al was het maar voor zeven jaar. Haar tranen waren kostbaar, edelstenen van de zuiverste soort.
Het negende jaar kwamen we terug van de jacht. Ons huis was koud, de zwanenvleugels, verenkleden verdwenen, de Walkuren waren weg gevlogen.
Egil trok naar het oosten, naar het land van keuze, waar zijn bruid vandaan gekomen was. Slagvleugel trok naar het zuiden naar de werelden van Nornen en goddelijkheid, waar zijn bruid en ook de mijne vandaan kwam.
Maar ik bleef thuis, hier in het Wolfdal, hier in de midgaard, hier op aarde, hier is mijn thuis. Ik wachtte op de terugkeer van Alwijs, zij die het lot kent als geen ander.
De midgaard is de plaats waar een smid werken moet. Hier is het meest kostbare goud dat ik bewerken zal. Het goud dat ons verheft, het zielengoud van weten en van wijsheid.
De kostbare edelstenen, tranen die Alwijs geweend had vervatte ik in het rode goud. Het waren kostbare ringen die ik smeedde, iedere dag één. Iedere ring is een eerbetoon aan mijn geliefde. Iedere ring is een symbool van mijn verlangen, mijn liefde en mijn trouw. Ik verblijf in het Wolfsdal, hier in de Midgaard, hier op aarde, hier ben ik thuis. Ik verblijf hier als hoeder van het gewijde woud.
Nidud, koning van de benedenwereld kreeg lucht van het feit dat de machtige elfensmid alleen was in het heilig woud. Hij stuurde zijn mannen westwaarts. Zij drongen het huis, mijn smidse binnen. Zevenhonderd ringen versierde het huis. Ze hingen aan koorden van gras, vlas en boombast. Zevenhonderd ringen telden zij. Ze hingen ze terug waar zij ze gevonden hadden. Eén, de allermooiste hielden ze achter.
Vermoeid van de jacht en verweerd van de kou kwam ik thuis. Een berin was mijn jachtbuit. Hoog stookte ik het vuur en braadde het vlees. Neer zat ik op de berenhuid, at van het berenvlees en telde de ringen. Het was er één te weinig. ‘Was zij gekomen!? Was Alwijs terug gekeerd?! Zou ik mijn geliefde weer in mijn armen sluiten?!’ Opgewonden en vol vreugde wachtte ik haar komst af. Tot diep in de nacht bleef ik wakker. Tot uiteindelijk mijn ogen zwaar van vermoeidheid dichtvielen.
“Geboeid, geketend werd ik wakker aan de voeten van een onrechtmatig laag geboren koning!”. Hij keek op mij neer en zei: “Ik ben koning Nidud, koning van hen die in de benedenwereld leven. Vertel op machtige elfenvader: “Waar heb je het gestolen goud verstopt. Hoe kan het dat wij geen goud vonden in het gewijde woud?!”
Ik kneep mijn ogen toe, liet mijn hart spreken: “Het goud is altijd vrij kan nooit gestolen worden. Het goud is overal voor hen die wakker zijn. Onze harten waren gevuld met het meest kostbare goud toen we nog samenwoonden in het Wolfsdal, het heilige woud, de drie Walkuren, mijn broers en ik. Goud groeide er op onze akkers, een gouden zon scheen op ons neer, gouddraad werd het vlas dat de walkuren sponnen. Goud waren de golven op het meer. Goud lag er op onze tong wanneer we ’s morgens wakker werden.” Toen keek ik hem aan en zei: “Blind ben je koning als je ogen voor schoonheid gesloten zijn. Goud is een leeg metaal en heeft geen hogere waarde in de ogen van hebzucht. Op het pad van het gesloten hart vindt men geen heilig goud!”. De vrouw van de koning en tevens raadgeefster had buiten staan luisteren en was nu het huis binnen gestapt. Het was een vrouw met een koude scherp geslepen geest, arrogant en vol arglist, een gekwetste vrouw misschien. Maar dan op de verkeerde manier de kwetsuren te boven was gekomen. Een felle feeks was zij. ‘Wees stil!’, klonk haar emotioneel gepijnigde stem. Ze sprak tot de koning, haar man: “ Luister niet naar hem. Laat je geest niet vergiftigen door zijn duistere toverpraat. Kijk naar zijn ogen, hoe fel ze rollen, hoe zijn mond vertrekt iedere keer als hij zijn zwaard aan je zijde ziet blinken. Zijn ogen zijn gevuld met haat als hij naar zijn ring kijkt, die je aan je dochter geschonken hebt. Snijdt de pezen van zijn knieën door zodat hij enkel nog kan kruipen. Zet hem gevangen op het eiland vlak voor de kust, waar hij kan werken aan ’t goud en alles dat onze ogen bekoord.”
Haar woorden sneden in mijn ziel en niet lang daarna de zwaarden door de pezen van mijn knieën. Ze lieten me achter op het eiland waar ik waakte iedere nacht. Ik werkte voor de koning, sieraden voor zijn hof. Ik werkte door dag en nacht. Ik smeedde mijn plannen, mijn wraak en mijn vlucht. Mijn hamer en aambeeld klonken als een monotoon drumritme, onophoudelijk, een diepe trance maakte zich van mij meester. Alsmaar bewerkte ik het rode goud, het wondermetaal. Alsmaar werkte ik aan mijn vlucht, steeds hoger steeg ik in mijn verbeelding, hoger nog boven de wolken. Ik mijn gedachten droomde, zweefde, vloog ik weg.
Mijn wraak zal bitterzoet zijn.
De zonen van de koning kwamen naar mijn smidse op het eiland: “Wij koningszonen eisen het rode goud te zien!”
‘Kom vanavond terug’ zei ik hen, ‘Ik zal het jullie tonen. Vertel het aan niemand. Het is in het diepst geheim dat ik het jullie toon!”
Dezelfde avond keerden zij weer en ik had mij goed voorbereid. Ik toonde hen een kist om te openen, gretig schoten zij toe en ‘tsjak!’ in een flits scheidde ik hun hoofden van hun rompen.
Diezelfde avond kwam Bodwild, de oorlogzuchtige dochter van de koning langs en toonde mij de ring, de allermooiste die ik voor mijn geliefde gesmeed had. De tranen van de doodsengel waren los gekomen van het goud. Ze vroeg mij: “ Je kunst is betoverend. Ik ben zeer gehecht aan de ring die mijn vader mij heeft geschonken. Kan jij hem herstellen voor mij?!”
Ik zei haar : “Zeker! ik zal hem herstellen, daarna zal hij mooier zijn, meer stralend, meer waardig!’
Ik schonk haar mede en bedreef met haar de liefde die nacht. Zij kon zich niet tegen mij verzetten. Ik had haar in mijn macht. Weerstand bood zij niet. Een ketting legde ik rond haar hals. Zwanger en in tranen verliet zij de volgende ochtend het eiland.
Mijn wraak was compleet. De vleugels, mijn vlucht waar ik jaren aan gewerkt had, bond ik om en verhief mij in de lucht. Mijn knieën kunnen mijn benen niet langer dragen. Maar mijn armen zijn vleugels. Weg vloog ik steeds hoger. Terug naar mijn thuis, het heilige gewijde woud.
Koning Nidud kon de slaap niet vatten. Wekenlang deed hij geen oog dicht. Het waren zijn zoons die hij mistte.
Zijn arglistige vrouw benaderde hem: “ Ben je wakker, mijn koning, kan ik u bijstand bieden?”
Nidud antwoordde: “ Mijn hoofd is koud, mijn hart, jou woorden zijn kil. Jou raad laat me koud! Ik zal naar het gewijde woud gaan op het eiland is hij niet. Ik zal Wieland’s raad aanvaarden. Hij moet weten waar mijn zoons gebleven zijn’.
Niet lang daarna trof de koning de verheven elfensmid: “ Vertel mij edele smid: Waar zijn mijn zoons gebleven?!”
“Eerst moet u mij zweren op alles dat u heilig is dat u mijn vrouwe geen kwaad zal doen. Ook niet wanneer u haar kent van heel dichtbij en zij een dochter in uw zaal zal baren. Ga dan naar het eiland, het aambeeld dat u voor mij smeedde. Het aambeeld met bloed bespat vertelt waar uw zoons zijn verdwenen. Dronken de bekers met zilver beslagen niet bitter en zoet. De bekers die ik u laatst gezonden heb. Het zijn de schedels van uw zoons. Laat het u smaken. Uw vrouwe draagt een borstspeld waarin hun ogen zijn vervat, uw dochter een ketting rond haar hals bevat hun tanden in ’t rode goud gevat. In haar buik draagt zij mijn kind, het levende goud van de toekomst!” En ik steeg op met vleugelslagen
En Nidud zei: “ Nooit eerder troffen woorden mij zo diep. Je hebt mij verslagen, jij machtige elf. Niets kan jou treffen, geen pijl, speer nog blaam. Voor eeuwig ben jij verheven!”
Met de wind des doods vloog ik zuidwaarts, uilenveren zijn mijn vleugels. Voor eeuwig ben ik één met de elfen.
Mijn dochter’s oren zullen luisteren naar de wind en fluisteringen der elfen.
Völundarkvida
Uit het oosten, het reuzenland zijn wij gekomen, prinsen van het woeste woud. Mijn oudste broer heet Egil, zuiver van hart en open van geest. Mijn andere broer heet Slagvleugel. Hij is een meester in de jacht.
Mijn naam is Völundr, beter bekend als Wieland de smid. Magische zwaarden heb ik gesmeed en krachtige talismannen. Mijn kracht komt van de voorouders, de Elfen. Ik heers over de wind van de dood. Mijn thuis is het gewijde woud dat ik altijd in mijn hart draag.
Hier in het westen zijn we aangekomen, hier in het Wolfsdal vonden wij wild en een plek om te wonen. Aan de rand van een meer bouwden we een huis. Hier in de Midgaard, hier op aarde, hier is ons thuis.
Op een dag kwamen we thuis van de jacht. We hoorden een zingen, onaards mooi, intens. Het waren drie goddelijke vrouwen, walkuren, doodsengelen van Odin, Alvader.
Ze hadden zich gebaad en gezwommen in het meer, hun zwanenvleugels, verenkleden lagen te drogen in het gras, in de zon.
Gelijk de nornen zaten ze te spinnen vlas.
Betoverd keken mijn broers en ik naar het spinnen van de levensdraden. Ons lot nam een wending op dat moment. We verborgen de zwanenvleugels, de verenkleden. En zeven jaren waren zij onze vrouwen. Zeven jaren waren wij intens gelukkig. Zeven jaren klaagden zij niet. Het achtste jaar begonnen zij te treuren, terug verlangend naar het slagveld. Een dure eed hebben de Walkuren gezworen aan het begin der tijden aan Alvader Odin. Het waren de doodskreten die hen riepen, krijgers stervend op het slagveld. Doodsengelen vol genade, hoe konden zij die roep weerstaan?
Alwijs, de jongste en meest wijze van de drie, zij weende bittere tranen. Zij was het die ik getrouwd had, al was het maar voor zeven jaar. Haar tranen waren kostbaar, edelstenen van de zuiverste soort.
Het negende jaar kwamen we terug van de jacht. Ons huis was koud, de zwanenvleugels, verenkleden verdwenen, de Walkuren waren weg gevlogen.
Egil trok naar het oosten, naar het land van keuze, waar zijn bruid vandaan gekomen was. Slagvleugel trok naar het zuiden naar de werelden van Nornen en goddelijkheid, waar zijn bruid en ook de mijne vandaan kwam.
Maar ik bleef thuis, hier in het Wolfdal, hier in de midgaard, hier op aarde, hier is mijn thuis. Ik wachtte op de terugkeer van Alwijs, zij die het lot kent als geen ander.
De midgaard is de plaats waar een smid werken moet. Hier is het meest kostbare goud dat ik bewerken zal. Het goud dat ons verheft, het zielengoud van weten en van wijsheid.
De kostbare edelstenen, tranen die Alwijs geweend had vervatte ik in het rode goud. Het waren kostbare ringen die ik smeedde, iedere dag één. Iedere ring is een eerbetoon aan mijn geliefde. Iedere ring is een symbool van mijn verlangen, mijn liefde en mijn trouw. Ik verblijf in het Wolfsdal, hier in de Midgaard, hier op aarde, hier ben ik thuis. Ik verblijf hier als hoeder van het gewijde woud.
Nidud, koning van de benedenwereld kreeg lucht van het feit dat de machtige elfensmid alleen was in het heilig woud. Hij stuurde zijn mannen westwaarts. Zij drongen het huis, mijn smidse binnen. Zevenhonderd ringen versierde het huis. Ze hingen aan koorden van gras, vlas en boombast. Zevenhonderd ringen telden zij. Ze hingen ze terug waar zij ze gevonden hadden. Eén, de allermooiste hielden ze achter.
Vermoeid van de jacht en verweerd van de kou kwam ik thuis. Een berin was mijn jachtbuit. Hoog stookte ik het vuur en braadde het vlees. Neer zat ik op de berenhuid, at van het berenvlees en telde de ringen. Het was er één te weinig. ‘Was zij gekomen!? Was Alwijs terug gekeerd?! Zou ik mijn geliefde weer in mijn armen sluiten?!’ Opgewonden en vol vreugde wachtte ik haar komst af. Tot diep in de nacht bleef ik wakker. Tot uiteindelijk mijn ogen zwaar van vermoeidheid dichtvielen.
“Geboeid, geketend werd ik wakker aan de voeten van een onrechtmatig laag geboren koning!”. Hij keek op mij neer en zei: “Ik ben koning Nidud, koning van hen die in de benedenwereld leven. Vertel op machtige elfenvader: “Waar heb je het gestolen goud verstopt. Hoe kan het dat wij geen goud vonden in het gewijde woud?!”
Ik kneep mijn ogen toe, liet mijn hart spreken: “Het goud is altijd vrij kan nooit gestolen worden. Het goud is overal voor hen die wakker zijn. Onze harten waren gevuld met het meest kostbare goud toen we nog samenwoonden in het Wolfsdal, het heilige woud, de drie Walkuren, mijn broers en ik. Goud groeide er op onze akkers, een gouden zon scheen op ons neer, gouddraad werd het vlas dat de walkuren sponnen. Goud waren de golven op het meer. Goud lag er op onze tong wanneer we ’s morgens wakker werden.” Toen keek ik hem aan en zei: “Blind ben je koning als je ogen voor schoonheid gesloten zijn. Goud is een leeg metaal en heeft geen hogere waarde in de ogen van hebzucht. Op het pad van het gesloten hart vindt men geen heilig goud!”. De vrouw van de koning en tevens raadgeefster had buiten staan luisteren en was nu het huis binnen gestapt. Het was een vrouw met een koude scherp geslepen geest, arrogant en vol arglist, een gekwetste vrouw misschien. Maar dan op de verkeerde manier de kwetsuren te boven was gekomen. Een felle feeks was zij. ‘Wees stil!’, klonk haar emotioneel gepijnigde stem. Ze sprak tot de koning, haar man: “ Luister niet naar hem. Laat je geest niet vergiftigen door zijn duistere toverpraat. Kijk naar zijn ogen, hoe fel ze rollen, hoe zijn mond vertrekt iedere keer als hij zijn zwaard aan je zijde ziet blinken. Zijn ogen zijn gevuld met haat als hij naar zijn ring kijkt, die je aan je dochter geschonken hebt. Snijdt de pezen van zijn knieën door zodat hij enkel nog kan kruipen. Zet hem gevangen op het eiland vlak voor de kust, waar hij kan werken aan ’t goud en alles dat onze ogen bekoord.”
Haar woorden sneden in mijn ziel en niet lang daarna de zwaarden door de pezen van mijn knieën. Ze lieten me achter op het eiland waar ik waakte iedere nacht. Ik werkte voor de koning, sieraden voor zijn hof. Ik werkte door dag en nacht. Ik smeedde mijn plannen, mijn wraak en mijn vlucht. Mijn hamer en aambeeld klonken als een monotoon drumritme, onophoudelijk, een diepe trance maakte zich van mij meester. Alsmaar bewerkte ik het rode goud, het wondermetaal. Alsmaar werkte ik aan mijn vlucht, steeds hoger steeg ik in mijn verbeelding, hoger nog boven de wolken. Ik mijn gedachten droomde, zweefde, vloog ik weg.
Mijn wraak zal bitterzoet zijn.
De zonen van de koning kwamen naar mijn smidse op het eiland: “Wij koningszonen eisen het rode goud te zien!”
‘Kom vanavond terug’ zei ik hen, ‘Ik zal het jullie tonen. Vertel het aan niemand. Het is in het diepst geheim dat ik het jullie toon!”
Dezelfde avond keerden zij weer en ik had mij goed voorbereid. Ik toonde hen een kist om te openen, gretig schoten zij toe en ‘tsjak!’ in een flits scheidde ik hun hoofden van hun rompen.
Diezelfde avond kwam Bodwild, de oorlogzuchtige dochter van de koning langs en toonde mij de ring, de allermooiste die ik voor mijn geliefde gesmeed had. De tranen van de doodsengel waren los gekomen van het goud. Ze vroeg mij: “ Je kunst is betoverend. Ik ben zeer gehecht aan de ring die mijn vader mij heeft geschonken. Kan jij hem herstellen voor mij?!”
Ik zei haar : “Zeker! ik zal hem herstellen, daarna zal hij mooier zijn, meer stralend, meer waardig!’
Ik schonk haar mede en bedreef met haar de liefde die nacht. Zij kon zich niet tegen mij verzetten. Ik had haar in mijn macht. Weerstand bood zij niet. Een ketting legde ik rond haar hals. Zwanger en in tranen verliet zij de volgende ochtend het eiland.
Mijn wraak was compleet. De vleugels, mijn vlucht waar ik jaren aan gewerkt had, bond ik om en verhief mij in de lucht. Mijn knieën kunnen mijn benen niet langer dragen. Maar mijn armen zijn vleugels. Weg vloog ik steeds hoger. Terug naar mijn thuis, het heilige gewijde woud.
Koning Nidud kon de slaap niet vatten. Wekenlang deed hij geen oog dicht. Het waren zijn zoons die hij mistte.
Zijn arglistige vrouw benaderde hem: “ Ben je wakker, mijn koning, kan ik u bijstand bieden?”
Nidud antwoordde: “ Mijn hoofd is koud, mijn hart, jou woorden zijn kil. Jou raad laat me koud! Ik zal naar het gewijde woud gaan op het eiland is hij niet. Ik zal Wieland’s raad aanvaarden. Hij moet weten waar mijn zoons gebleven zijn’.
Niet lang daarna trof de koning de verheven elfensmid: “ Vertel mij edele smid: Waar zijn mijn zoons gebleven?!”
“Eerst moet u mij zweren op alles dat u heilig is dat u mijn vrouwe geen kwaad zal doen. Ook niet wanneer u haar kent van heel dichtbij en zij een dochter in uw zaal zal baren. Ga dan naar het eiland, het aambeeld dat u voor mij smeedde. Het aambeeld met bloed bespat vertelt waar uw zoons zijn verdwenen. Dronken de bekers met zilver beslagen niet bitter en zoet. De bekers die ik u laatst gezonden heb. Het zijn de schedels van uw zoons. Laat het u smaken. Uw vrouwe draagt een borstspeld waarin hun ogen zijn vervat, uw dochter een ketting rond haar hals bevat hun tanden in ’t rode goud gevat. In haar buik draagt zij mijn kind, het levende goud van de toekomst!” En ik steeg op met vleugelslagen
En Nidud zei: “ Nooit eerder troffen woorden mij zo diep. Je hebt mij verslagen, jij machtige elf. Niets kan jou treffen, geen pijl, speer nog blaam. Voor eeuwig ben jij verheven!”
Met de wind des doods vloog ik zuidwaarts, uilenveren zijn mijn vleugels. Voor eeuwig ben ik één met de elfen.
Mijn dochter’s oren zullen luisteren naar de wind en fluisteringen der elfen.
Mitakuye oyasin ( voor al mijn verwanten, alles is een , Lakota-taal)
Nin-Sa-Gee-Away-Win ( we are family and love eachother, Ojibaway)
In Lakech ( Maya groet, betekent : ik begroet een andere ik)