Ga met mij mee op reis.
Ga met mij mee de diepte in, voorbij de angst.
Ga mee met mij de verbinding aan met het diepste stuk, de oudste herinnering.
Alleen de mythe kan ons daar brengen de oudste herinnering van het goddelijke.
Het is een keuze, je keuze is vrij.
De Germaanse mythe heeft mij uitgekozen om door mij te worden begrepen, gedragen en vertaald te worden.
Het is op Germaanse grond waarop we staan.
Al noemden onze verste voorouders zich niet zo en zeker waren het geen nazi's nog racisten.
Maar we zijn op deze grond geboren. Hier gevoed met normen en waarden die ouder zijn dan honderd jaar.
Hieronder komt mijn bewerking van het verhaal uit de Edda, de Völundarkvida, het verhaal van Völundr, Wieland de smid.
Hier is een link naar een andere uitvoering en verklaring van het verhaal: ( 8min 56, begint het)
https://www.youtube.com/watch?v=CnXMlTy_9y4&t=1189s
Maria
Kvilhaug ( ladyofthelabyrint) heeft zich zeer verdiept in de
vertalingen van namen en hun betekenissen uit het Oud Noors. Hierdoor
krijgen de verhalen een nog diepere en meer heldere betekenis.
Onze
verre voorouders waren verre van dom of onontwikkeld. Hun cultuur is,
de diepgang er van is enorm onderschat. Diep op de zeebodem liggen
oesters. Wanneer we deze openen vinden we soms de meest kostbare parels.
We moeten diep duiken. Soms lang onze adem in kunnen houden. Vaak
vinden we lege schelpen. Maar als we lang genoeg zoeken. Ja, wie zoekt
zal vinden...
( ik ben christelijk opgevoed. Het is grappig hoe
de gereformeerden de Bijbel naar het woord vertalen/ uitleggen. Hoe
zeer zijn ze daarmee trouw aan het gedachtegoed van onze Germaanse
wortels, mannen van hun woord, mannen van het woord. De dichtkunst is
hier altijd zeer gewaardeerd geweest.)
Dit verhaal van Wieland de smid lijkt te gaan over wraak.
Maar het is veel dieper dan dat.
Wij zijn Wieland. Ooit waren wij een drieéenheid ( voor de duidelijkheid: drieéenheid is super Keltisch en Germaans!)
Zo
zien we in vele Germaanse mythes, drie goden die op pad gaan. Hier zijn
het Wieland en zijn twee broers. ( zie de link naar YT voor de
betekenissen van de namen van Wieland en zijn broers)
De
windstreken waar zij vandaan kwamen en heen gaan ( De broers maar ook
hun vrouwen, de Walkuren) hebben een diepere betekenis dan Maria
Kvilhaug behandelt.
De Windstreken zijn 'heilige' portalen.
Alle oude volken brengen offers, zingen, dansen en bidden naar de vier
windstreken + de boven en beneden richting.
Vraag maar eens aan
de kracht van het oosten je te zegenen. Ga staan naar het oosten en hou
je handen in die richting en stel je open, het best in de ochtend of
met zonsopgang, naar het westen met zonsondergang, bijvoorbeeld)
De
windstreken hebben een diepere betekenis. Zoals alles in de mythen.
Onze Germaanse voorouders waren meesters in de dichtkunst en vooral in
symbolieken. Ze hielden er van om symbool op symbool op symbool te
stapelen waardoor er een soort raadsels ontstonden, alleen te begrijpen
door de kenner , de ingewijde in de verhalen.
Wieland, dat
zijn wij. We vinden hier op aarde, de midgaard, het Wolfsdal, het
grootste hemelse geluk. Maar daarna blijven we alleen achter. (
vergelijkbaar met de zondeval, Paradijs Adam en Eva)
Zijn we niet afgesneden van onze bron, het goddelijke, onze oneindige goddelijke kennis, liefde en wijsheid?
Wieland is alleen ( verlaten door de Walkuren en zijn broers... goddelijke delen van hemzelf)
Als smid bewerkt hij het goud.
Goud
heeft voordat de hebzucht bezit nam van de mens altijd een goddelijke
betekenis gehad. Kijk naar de Egyptenaren, Inca's, Maya's en of
Tibetanen. Goud staat voor goddelijkheid.
Maar hij valt ten
prooi aan het duister dat van beneden komt. Alles wordt hem ontnomen
zelfs zijn vermogen te lopen. Dan werkt hij aan zijn wraak of
bevrijding.
Hij laat de verblinde koning van de benedenwereld
drinken uit de schedels van zijn zoons. Twee zoons, dualiteit. Zijn
verblinde vrouw krijgt hun ogen, om de dualiteit onder ogen te zien. De
koningsdochter hun tanden. Om te bijten , ergens in te zetten.
De ringen die Wieland maakt staan voor de heelheid en de verbinding, waar hij steeds aan werkt.
De dochter draagt zo'n ring. Maar gaat kapot.
In
een dieper duister kunnen we haast niet afdalen. Maar dat is nou
precies wat we doen hier op Aarde. We zijn afgedaald in de lagere
dimensies, juist om daar het licht te hervinden.
Wat blijft
er in het diepste duister over? Is niet het vrouwelijke, het
vruchtbare, het levensdragende, de verbinding met het leven, het licht?
Wieland
bevrucht de dochter van het lagere... Hier zien we een zaadje hoop,
licht en liefde voor de toekomst en ja ... een Matriarchale toekomst.
In
de versie zoals ik het verhaal nu geschreven heb is de bewustwording,
het wakker worden van de koning van de benedenwereld nog niet helder,
duidelijk genoeg. Maria Kvilhaug refereert hier naar.
Ik
heb de reis gemaakt van dit verhaal, ben afgedaald in mijzelf en heb
het beleefd. En zo wordt een verhaal een levende dimensie, een wereld
die je met je mee kan dragen.
Dit kan natuurlijk met een
verhaal naar keuze. De Germaanse traditie heeft mij gekozen, mogelijk om
een oeroude verbinding te herstellen.
Wanneer
je de vertelling live wilt bijwonen, dat kan op maandagavond 6 februari
in Driebergen. Indien geïnteresseerd stuur me een mailtje dan stuur ik
de details van waar het plaatsvind. Het zal een avond zijn over
mythische smeden. Ook zal ik vertellen "Freya's verleiding' met
Theresia's harpbegeleiding. En er zal ook verteld worden over en uit de
Kalevala ( iemand anders)
Hier mijn versie van Wieland de smid
( ik deel hier een kostbaar pareltje uit mijn ziel)
Völundarkvida
Uit
het oosten, het reuzenland zijn wij gekomen, prinsen van het woeste
woud.
Mijn oudste broer heet Egil, zuiver van hart en open van geest.
Mijn andere broer heet Slagvleugel. Hij is een meester in de jacht.
Mijn
naam is Völundr, beter bekend als Wieland de smid. Magische zwaarden
heb ik gesmeed en krachtige talismannen. Mijn kracht komt van de
voorouders, de Elfen. Ik heers over de wind van de dood. Mijn thuis is
het gewijde woud dat ik altijd in mijn hart draag.
Hier in het westen
zijn we aangekomen, hier in het Wolfsdal vonden wij wild en een plek om
te wonen. Aan de rand van een meer bouwden we een huis. Hier in de
Midgaard, hier op aarde, hier is ons thuis.
Op een dag kwamen we
thuis van de jacht. We hoorden een zingen, onaards mooi, intens. Het
waren drie goddelijke vrouwen, walkuren, doodsengelen van Odin, Alvader.
Ze hadden zich gebaad en gezwommen in het meer, hun zwanenvleugels, verenkleden lagen te drogen in het gras, in de zon.
Gelijk de nornen zaten ze te spinnen vlas.
Betoverd
keken mijn broers en ik naar het spinnen van de levensdraden. Ons lot
nam een wending op dat moment. We verborgen de zwanenvleugels, de
verenkleden. En zeven jaren waren zij onze vrouwen. Zeven jaren waren
wij intens gelukkig. Zeven jaren klaagden zij niet. Het achtste jaar
begonnen zij te treuren, terug verlangend naar het slagveld. Een dure
eed hebben de Walkuren gezworen aan het begin der tijden aan Alvader
Odin. Het waren de doodskreten die hen riepen, krijgers stervend op het
slagveld. Doodsengelen vol genade, hoe konden zij die roep weerstaan?
Alwijs,
de jongste en meest wijze van de drie, zij weende bittere tranen. Zij
was het die ik getrouwd had, al was het maar voor zeven jaar. Haar
tranen waren kostbaar, edelstenen van de zuiverste soort.
Het
negende jaar kwamen we terug van de jacht. Ons huis was koud, de
zwanenvleugels, verenkleden verdwenen, de Walkuren waren weg gevlogen.
Egil
trok naar het oosten, naar het land van keuze, waar zijn bruid vandaan
gekomen was. Slagvleugel trok naar het zuiden naar de werelden van
Nornen en goddelijkheid, waar zijn bruid en ook de mijne vandaan kwam.
Maar
ik bleef thuis, hier in het Wolfdal, hier in de midgaard, hier op
aarde, hier is mijn thuis. Ik wachtte op de terugkeer van Alwijs, zij
die het lot kent als geen ander.
De midgaard is de plaats waar een
smid werken moet. Hier is het meest kostbare goud dat ik bewerken zal.
Het goud dat ons verheft, het zielengoud van weten en van wijsheid.
De
kostbare edelstenen, tranen die Alwijs geweend had vervatte ik in het
rode goud. Het waren kostbare ringen die ik smeedde, iedere dag één.
Iedere ring is een eerbetoon aan mijn geliefde. Iedere ring is een
symbool van mijn verlangen, mijn liefde en mijn trouw. Ik verblijf in
het Wolfsdal, hier in de Midgaard, hier op aarde, hier ben ik thuis. Ik
verblijf hier als hoeder van het gewijde woud.
Nidud, koning van de
benedenwereld kreeg lucht van het feit dat de machtige elfensmid alleen
was in het heilig woud. Hij stuurde zijn mannen westwaarts. Zij drongen
het huis, mijn smidse binnen. Zevenhonderd ringen versierde het huis. Ze
hingen aan koorden van gras, vlas en boombast. Zevenhonderd ringen
telden zij. Ze hingen ze terug waar zij ze gevonden hadden. Eén, de
allermooiste hielden ze achter.
Vermoeid van de jacht en verweerd
van de kou kwam ik thuis. Een berin was mijn jachtbuit. Hoog stookte ik
het vuur en braadde het vlees. Neer zat ik op de berenhuid, at van het
berenvlees en telde de ringen. Het was er één te weinig. ‘Was zij
gekomen!? Was Alwijs terug gekeerd?! Zou ik mijn geliefde weer in mijn
armen sluiten?!’ Opgewonden en vol vreugde wachtte ik haar komst af. Tot
diep in de nacht bleef ik wakker. Tot uiteindelijk mijn ogen zwaar van
vermoeidheid dichtvielen.
“Geboeid, geketend werd ik wakker aan de
voeten van een onrechtmatig laag geboren koning!”. Hij keek op mij neer
en zei: “Ik ben koning Nidud, koning van hen die in de benedenwereld
leven. Vertel op machtige elfenvader: “Waar heb je het gestolen goud
verstopt. Hoe kan het dat wij geen goud vonden in het gewijde woud?!”
Ik
kneep mijn ogen toe, liet mijn hart spreken: “Het goud is altijd vrij
kan nooit gestolen worden. Het goud is overal voor hen die wakker zijn.
Onze harten waren gevuld met het meest kostbare goud toen we nog
samenwoonden in het Wolfsdal, het heilige woud, de drie Walkuren, mijn
broers en ik. Goud groeide er op onze akkers, een gouden zon scheen op
ons neer, gouddraad werd het vlas dat de walkuren sponnen. Goud waren de
golven op het meer. Goud lag er op onze tong wanneer we ’s morgens
wakker werden.” Toen keek ik hem aan en zei: “Blind ben je koning als je
ogen voor schoonheid gesloten zijn. Goud is een leeg metaal en heeft
geen hogere waarde in de ogen van hebzucht. Op het pad van het gesloten
hart vindt men geen heilig goud!”. De vrouw van de koning en tevens
raadgeefster had buiten staan luisteren en was nu het huis binnen
gestapt. Het was een vrouw met een koude scherp geslepen geest, arrogant
en vol arglist, een gekwetste vrouw misschien. Maar dan op de verkeerde
manier de kwetsuren te boven was gekomen. Een felle feeks was zij.
‘Wees stil!’, klonk haar emotioneel gepijnigde stem. Ze sprak tot de
koning, haar man: “ Luister niet naar hem. Laat je geest niet
vergiftigen door zijn duistere toverpraat. Kijk naar zijn ogen, hoe fel
ze rollen, hoe zijn mond vertrekt iedere keer als hij zijn zwaard aan je
zijde ziet blinken. Zijn ogen zijn gevuld met haat als hij naar zijn
ring kijkt, die je aan je dochter geschonken hebt. Snijdt de pezen van
zijn knieën door zodat hij enkel nog kan kruipen. Zet hem gevangen op
het eiland vlak voor de kust, waar hij kan werken aan ’t goud en alles
dat onze ogen bekoord.”
Haar woorden sneden in mijn ziel en niet
lang daarna de zwaarden door de pezen van mijn knieën. Ze lieten me
achter op het eiland waar ik waakte iedere nacht. Ik werkte voor de
koning, sieraden voor zijn hof. Ik werkte door dag en nacht. Ik smeedde
mijn plannen, mijn wraak en mijn vlucht. Mijn hamer en aambeeld klonken
als een monotoon drumritme, onophoudelijk, een diepe trance maakte zich
van mij meester. Alsmaar bewerkte ik het rode goud, het wondermetaal.
Alsmaar werkte ik aan mijn vlucht, steeds hoger steeg ik in mijn
verbeelding, hoger nog boven de wolken. Ik mijn gedachten droomde,
zweefde, vloog ik weg.
Mijn wraak zal bitterzoet zijn.
De zonen van de koning kwamen naar mijn smidse op het eiland: “Wij koningszonen eisen het rode goud te zien!”
‘Kom
vanavond terug’ zei ik hen, ‘Ik zal het jullie tonen. Vertel het aan
niemand. Het is in het diepst geheim dat ik het jullie toon!”
Dezelfde
avond keerden zij weer en ik had mij goed voorbereid. Ik toonde hen een
kist om te openen, gretig schoten zij toe en ‘tsjak!’ in een flits
scheidde ik hun hoofden van hun rompen.
Diezelfde avond kwam Bodwild,
de oorlogzuchtige dochter van de koning langs en toonde mij de ring, de
allermooiste die ik voor mijn geliefde gesmeed had. De tranen van de
doodsengel waren los gekomen van het goud. Ze vroeg mij: “ Je kunst is
betoverend. Ik ben zeer gehecht aan de ring die mijn vader mij heeft
geschonken. Kan jij hem herstellen voor mij?!”
Ik zei haar : “Zeker! ik zal hem herstellen, daarna zal hij mooier zijn, meer stralend, meer waardig!’
Ik
schonk haar mede en bedreef met haar de liefde die nacht. Zij kon zich
niet tegen mij verzetten. Ik had haar in mijn macht. Weerstand bood zij
niet. Een ketting legde ik rond haar hals. Zwanger en in tranen verliet
zij de volgende ochtend het eiland.
Mijn wraak was compleet. De
vleugels, mijn vlucht waar ik jaren aan gewerkt had, bond ik om en
verhief mij in de lucht. Mijn knieën kunnen mijn benen niet langer
dragen. Maar mijn armen zijn vleugels. Weg vloog ik steeds hoger. Terug
naar mijn thuis, het heilige gewijde woud.
Koning Nidud kon de slaap niet vatten. Wekenlang deed hij geen oog dicht. Het waren zijn zoons die hij mistte.
Zijn arglistige vrouw benaderde hem: “ Ben je wakker, mijn koning, kan ik u bijstand bieden?”
Nidud
antwoordde: “ Mijn hoofd is koud, mijn hart, jou woorden zijn kil. Jou
raad laat me koud! Ik zal naar het gewijde woud gaan op het eiland is
hij niet. Ik zal Wieland’s raad aanvaarden. Hij moet weten waar mijn
zoons gebleven zijn’.
Niet lang daarna trof de koning de verheven elfensmid: “ Vertel mij edele smid: Waar zijn mijn zoons gebleven?!”
“Eerst
moet u mij zweren op alles dat u heilig is dat u mijn vrouwe geen kwaad
zal doen. Ook niet wanneer u haar kent van heel dichtbij en zij een
dochter in uw zaal zal baren. Ga dan naar het eiland, het aambeeld dat u
voor mij smeedde. Het aambeeld met bloed bespat vertelt waar uw zoons
zijn verdwenen. Dronken de bekers met zilver beslagen niet bitter en
zoet. De bekers die ik u laatst gezonden heb. Het zijn de schedels van
uw zoons. Laat het u smaken. Uw vrouwe draagt een borstspeld waarin hun
ogen zijn vervat, uw dochter een ketting rond haar hals bevat hun tanden
in ’t rode goud gevat. In haar buik draagt zij mijn kind, het levende
goud van de toekomst!” En ik steeg op met vleugelslagen
En Nidud zei:
“ Nooit eerder troffen woorden mij zo diep. Je hebt mij verslagen, jij
machtige elf. Niets kan jou treffen, geen pijl, speer nog blaam. Voor
eeuwig ben jij verheven!”
Met de wind des doods vloog ik zuidwaarts, uilenveren zijn mijn vleugels. Voor eeuwig ben ik één met de elfen.
Mijn dochter’s oren zullen luisteren naar de wind en fluisteringen der elfen.
Mitakuye oyasin ( voor al mijn verwanten, alles is een , Lakota-taal)
Nin-Sa-Gee-Away-Win ( we are family and love eachother, Ojibaway)
In Lakech ( Maya groet, betekent : ik begroet een andere ik)