De trollenkoning verteld....
They made me their king although I’m not big.
Zij hebben mij tot hun koning gekroond. Ook al ben ik niet groot.
Eigenlijk ben ik de kleinste Trollenkoning ooit.
Sommige mensen denken dat ik wat groot ben voor een trol. Maar die mensen hebben het niet goed begrepen. Want trollen zijn reuzen!
Lang geleden regeerden wij de aarde. De aarde zelf is opgebouwd uit de overblijfselen van een reus, de reus Ymir. Uit zijn wenkbrauwen zijn de bergketens opgebouwd, de vruchtbare aarde is zijn vlees en de rotsen en de stenen waren ooit zijn beenderen.
Zijn schedel wordt gedragen door vier enorm sterke dwergen. We kennen hun namen allemaal. We zijn alleen vergeten dat het dwergen zijn: “Noord, Oost, Zuid en West”.
Ymir’s schedel is gigantisch. Als we omhoog kijken zien we dat reusachtige hemelgewelf.
Ymir was dan ook gigantisch reusachtig groot. Wat zeg ik? Woorden schieten te kort. Maar duidelijk mag zijn: Ymir was een gigantische reus. Ooit bewandelde hij een planeet vele malen groter dan de onze.
Alles komt van ons reuzen vandaan. De asen hebben het ons ontnomen dat lage tuig. Het zijn onze kinderen en we houden van ze maar ze hebben zich tegen ons gekeerd, niet allemaal, met sommigen zijn we nog steeds bevriend en in tijde van vrede zijn het allemaal vrienden. Maar hoe lang duurt de vrede? De vrede duurt nooit lang sinds er mensen bestaan. En Odin vindt dat heerlijk. Odin dat hoerenjong die zijn grootvader in stukken sneed. Ja het was Odin die Ymir om het leven bracht aan het begin der tijden. Zijn zoon Thor, uit een van de aardemoeders geboren is nog erger. Als wij reuzen aan iemand een hekel hebben dan is het wel aan Thor, Thor met zijn donderhamer ‘Mjölnir’, de verpulveraar.
En wat denken jullie dat Thor het liefst verpulverd met zijn hamer. Ahhh, zeg het maar niet, de gedachte alleen al geeft me een vreselijke hoofdpijn. En dan te bedenken dat mede door toedoen van die verrader van een Loki, een van de onzen , ja een reuzenzoon hij die hamer verkregen heeft. Ja, het had Loki bijna de kop gekost.
Als reuzen denken we allemaal hetzelfde. We zijn als een rots. Allemaal één en dezelfde gedachte. Ook al dragen we andere namen en verschijnen we in andere vormen. We putten allemaal uit dezelfde oeroude bron van herinnering. Daarom kan ik spreken voor anderen. Omdat wij uiteindelijk toch dezelfde zijn. Ik weet nog goed dat ik de naam Hymir droeg. Een geweldige reus was ik. Mijn blikken konden letterlijk doden. Mijn haat naar vreemdelingen was zo groot. Dat wanneer ze mijn huis betraden ze hun leven niet zeker waren. De kans dat ze mijn huis levend verlieten was maar klein. Mijn eerste blik was het dodelijkst. Daarna had ik weer tijd nodig om op krachten te komen.
Zo kwam ik ooit thuis van de jacht. En ik rook het meteen. Het rook er niet naar mens of mensenvlees. Nee de stank was niet te verdragen. Het was de geur van die akelige godenzoon, die geitenhoeder, donderdrijver, roodharige, woest-baardige en stevig gespierde Thor Odinszoon. Ik voelde zowat mijn bloed koken. De moordenaar van trollen was onder ons. Als ik hem in mijn ogen kreeg.... dan was het voor eens en altijd gedaan met hem. Mijn vrouw wees in de richting van een paar pilaren waarop een deel van mijn huis rustte. Ik had het niet meer. Heel even voelde ik de kracht van duizend vulkanen door mijn aderen stromen. De uitbarsting was niet meer te stoppen. De haat in iedere vezel van mijn lichaam begon me te verteren. Ik wende mijn hoofd in de richting naar waar mijn vrouwtje wees. Mijn ogen brandden, verwijden zich tot poorten, poorten van gruwel en akelig verderf. Ineens spoot het eruit: de machtige oerkracht van vernietiging. De pilaren werden verpulverd, een deel van het dak stortte in. Een grote balk zakte naar beneden en daar gleden mijn kostbare drinkketels naar beneden. Eén voor een vielen ze stuk op de grond. Alleen de grootste en mijn meest geliefde ketel bleef heel, gelukkig maar...
Maar wat zag ik tot mijn gruwel: die akelige trollenverzwelger Thor, die stond daar nog...met zijn hamer Mjölnir in de hand. En ik voelde me uitgeput. Ik kon hem niets maken, zelfs niet in mijn eigen huis. Thor zei: “Hymir, ik kom in vrede. Het enige wat ik van je wil is je grootste drinkketel!”. “Wat hoe durf je, jij onverlaat! Ongevraagd kom je mijn huis binnen en weet wel dat ik jou verantwoordelijk acht voor deze ravage. En zijn niet al mijn geliefde drinkketels gesloopt dankzij jou bezoek. Ik weet het goed gemaakt: morgen ga ik vissen en als je een grotere vis aan de haak slaat dan ik dan mag je mijn ketel hebben!”
Ik wist wel zeker dat dit hem nooit zou lukken.
Die nacht sliep ik lang en diep en snurkte zo luid dat de aarde ervan beefde.
Ik werd redelijk vrolijk wakker voor een trol. Ik was de vorige dag en Thor glad vergeten. Ik pakte mijn hengels en liep naar mijn sloep om te gaan vissen op zee.
En daar kwam hij aangelopen irritant vrolijk als altijd. Met zijn donderse ogen keek hij mij aan: “Zeg Hymir je was me toch niet vergeten?! Waar kan ik wat aas vinden?” Ik keek hem chagrijnig aan en wist dat ik nog lang niet op krachten was om hem te verwoesten met mijn haat. “Daar op het land”, ik wees met mijn hoofd in de richting van het grasland waar mijn meest prachtige prijsstier op stond. Daar kon hij naar pieren zoeken. Als hij maar niet dacht dat hij bij mij in de boot genodigd wat. Ik zag hem lopen naar het grasland. ‘Zo daar zijn we mooi vanaf’. Ik duwde mijn sloep het water in. ‘Je gaat toch niet weg zonder mij’ hoorde ik Thor zeggen. Ik draaide me om en wat zag ik ?! Die vreselijk schurk droeg de kop van mijn prijsstier onder de arm. Met overduidelijk plezier in zijn ogen keek hij mij aan: “Dat bedoelde je toch?, ik moest toch aas hebben”. Hij haalde het bloed onder mijn nagels vandaan. Ik verbeet mij. Wat kon ik doen. Op dit moment was Thor met zijn hamer machtiger dan ik. “Ik kan heel goed roeien” zei Thor. Hij had de roeiriemen al in zijn hand en stapte in de boot. Het beviel me allemaal niets. Maar goed...ik hoefde niet te roeien. En werken, daar hebben wij reuzen zo’n hekel aan. Als we dat iemand anders kunnen laten doen dan graag!. We stapten in de boot en al gauw begon Thor te roeien als een waanzinnige. De snelheid waarmee wij door het water voeren... zeg maar gerust over het water scheerden .. boezemde mij angst in. Maar ik liet niets merken. Maar verder de zee op dat was toch echt niet verantwoord!: “Ho maar Thor, hier kun je wel stoppen!” “Je denkt toch niet dat ik voor platvis ga!!”, riep hij bulderend van het lachen uit. Ik vond het nu echt niet leuk meer. Zo ver de zee op was ik nog nooit geweest. Ik begon een beetje misselijk en me zeeziek te voelen. Ik ben bang dat Thor kon zien dat ik wat witjes werd. Gelukkig eindelijk stopte hij. Hij nam het anker bijdehand. “Ik denk niet dat het zin heeft Thor, om hier het anker uit te werpen.” Hij keek me verontwaardigt aan en zei: “Heb jij een betere vishaak voor me dan?!”
Met gekken is het slecht praten. Ik draaide me om en wierp mijn hengels uit. Gelijk had ik beet. Drie stevige walvissen trok ik uit de zee mijn bootje op. Zo dat noem ik een goede vangst. Eens kijken of Thor het beter doet. Dat kan toch niet!? Maar wat zag ik: Thor had de kop van mijn prijsstier aan het anker vastgemaakt. En hij was er van het begin af aan niet op uit geweest om visjes te vangen, zelfs geen walvisjes...
De Jormungandur was zijn doel, de midgaardslang te vangen. Het gruwelijkste zeemonster dat rond de continenten kronkelt. De midgaardslang Thor’s meest geduchte vijand. Te laat zag ik dat Thor al beet had. De zee werd zwart van woede. De lucht boven ons was niet minder dreigend. Golven hoog als huizen, hoger als huizen om ons heen. Als reus ben ik niet snel onder de indruk. Maar dit was angstwekkend. Ik zag Thor zich tot het uiterste inspannen. Zijn hengel stond krom en strak gespannen. De gruwelijke kop van de midgaardslang kwam al boven water. Ik zag Thor zich schrap zetten. Heel zijn lichaam zwol op. Zijn voeten drukte door de bodem van mijn boot. Maar Thor bleef groeien, groter en groter werd hij. Hij stond met zijn voeten op de bodem van de zee. Met zijn linker hand hield hij de hengel vast. De gruwelijke slang de Jormungandur kronkelde alle kanten op. Thor greep naar zijn hamer. Het eind ter tijden zag ik naderen. Een ogenblik verwijderd waren we nog! Nee Thor mocht de midgaard slang niet doden. Nee niet nu! Ik greep mijn mes. En dook naar voren. Dit was mijn heldendaad die ik nooit vergeten ben. Nooit zal het me spijten. Ik sneed het snoer door dat de slang gevangen hield. De slang schoot terug de zee weer in en Thor viel achterover in de zee.
Van mijn boot was weinig over. Er zat niets anders op dan terug te zwemmen naar de kant.
Thor waadde door het water en sleepte de drie walvisjes achter zich aan.
Nu stonden we quitte. Ook al had ik veel meer verloren dan hij.
Thor keek me aan en zei: “Als je me had laten gaan was mijn buit groter geweest dan die van jou. Ik vind dat ik de weddenschap gewonnen heb!”
Ik moest hem daarin wel gelijk geven. En je kan zeggen wat je wilt maar wij reuzen houden ons aan ons woord.
Thor mocht mijn nog enige en mooiste drinkketel meenemen.
Hij zette hem over zijn hoofd als een helm. Maar de ketel was zo groot dat hij over zijn schouders viel tot op zijn heupen.
Zo liep hij weg met het hengsel dat steeds tegen zijn kuiten viel.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten